Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag reageert terughoudend op het voorstel van het CDA om in de stad ruimte te maken voor een monument ter nagedachtenis aan de Holodomor, de door het Sovjetregime opzettelijk veroorzaakte hongersnood in Oekraïne in 1932 en 1933.
Raadslid Hinke de Groot (CDA) vroeg hier eerder om. "In al onze buurlanden en in de landen van vele van onze bondgenoten zijn er gedenkplaatsen en monumenten aanwezig voor de slachtoffers van de Holodomor. In Nederland is dat niet geval", zei zij daarover.
De Tweede Kamer sprak in 2023 uit dat de Holodomor naar hedendaagse maatstaven erkend en veroordeeld moet worden als genocide. Tegelijkertijd stelde de Kamer dat een herdenkingsmonument een initiatief moet zijn van de Oekraïense gemeenschap in Nederland en via een gemeentelijk besluit tot stand moet komen. De Groot vroeg het Haagse college daarom om een eventueel initiatief voor een monument te faciliteren.
Zeer terughoudend
In antwoord op schriftelijke vragen van De Groot laat het college nu weten dat elk initiatief voor een gedenkteken op dezelfde wijze wordt behandeld. "Vanwege het grote aantal bestaande gedenktekens in de stad en onze verantwoordelijkheid voor de schaarste en kwaliteit van de openbare ruimte zijn we in de basis zeer terughoudend", schrijft het college. "Verzoeken worden onder meer getoetst op relevantie voor de stad, het maatschappelijk draagvlak, ruimtelijke inpasbaarheid, onderhoud en duurzaamheid. Mocht er een initiatief worden ingediend voor een gedenkteken voor de slachtoffers van de Holodomor zullen wij deze op dezelfde wijze beoordelen."
Tot slot geeft het college aan op verschillende manieren contact te hebben met de Oekraïense gemeenschap in Den Haag. "Zo organiseren we de opvang van Oekraïners en hierbij ook diverse activiteiten. Er is geen contact over de behoefte aan herdenking van de Holodomor."